Oud-hoogleraar in de antropologie Jojada Verrips werd zijn hele leven gefascineerd door de wanorde, de chaos en het vreemde. Die fascinatie ontwikkelde zich in zijn jeugd in de bible belt. ‘In de kerk begon ik de meest bizarre dingen te zien.’

 

‘Aan de ene kant ben ik trots op mijn werk aan de universiteit. Aan de andere kant is er altijd nog een gevoel van nietigheid bij wat hier op aarde gebeurt. In de ogen van God stelt het niet zoveel voor. Dat is het postcalvinisme dat nog in me zit. Dat is akelig.’

 

Emeritus hoogleraar in de antropologie Jojada Verrips worstelt soms nog met zijn verleden. Hij groeide op in het zwaar christelijke dorp Schoonrewoerd, twintig kilometer onder Utrecht. Het dorp was opgedeeld in een gereformeerd en een Nederlands Hervormd deel. Maar de familie van zijn moeder was van oudsher buitenkerkelijk orthodox. Men ging tijdens geïmproviseerde diensten zelf op zoek naar de ware leer. Verrips wordt nog altijd achtervolgt door dat calvinisme.

 

‘Vanmiddag zette ik de radio aan en hoorde ik opnames van een organist. Ik moest toen opeens heel hard lachen. Ik kon niet meer ophouden. De zondagen die ik in mijn jeugd meemaakte kwamen allemaal terug.’ Verrips barst weer in lachen uit. ‘Voor mij was het zo’n intens trieste wereld. Op zondag zat mijn hele familie van moederszijde in een donkere voorkamer, de mannen stonken nog naar de aardappels, de ramen waren beslagen.’ Hij giert nu van het lachen. ‘O, God. Dat soort dingen kwamen vanmiddag allemaal weer boven.’

 

U lacht er om, terwijl ik bij dat idee helemaal geen vrolijk gevoel krijg.

‘Ik ook niet. Ja, daar heb je zoiets: zo’n lach die plotseling opkomt bij het horen van die muziek. Ik denk dat het met de intense droefgeestigheid van het beeld te maken heeft. Zo’n inertie, zo’n neerslachtigheid. Het is zó overdreven dat het onwezenlijk wordt. De verstilling in die wereld. Als ik nu met zo’n beeld geconfronteerd wordt, dan werkt het op mijn lachspieren.’

 

Op zijn achttiende vertrok Verrips uit Schoonrewoerd om in Amsterdam te gaan wonen. Na acht jaar studeerde hij cum laude af in de antropologie, na nog eens tien jaar voltooide hij zijn promotieonderzoek en werd wetenschappelijk medewerker. Verrips werkte zich geleidelijk op in de hiërarchie van het Spinhuis. Hij ging daar als theoretisch buitenbeentje door het leven, want hij had kritiek op Norbert Elias.

 

‘Joop Goudsblom had een missionaire instelling als het ging om het werk van Elias. Veel antropologen en sociologen gingen daarin mee. Ik ergerde me daarbij het meest aan dat beschavingsproces, die civilisering. We hebben twee gigantische wereldoorlogen gehad! Je kunt dan niet beweren dat we al maar beschaafder worden. Die civilisering begon me de keel uit te hangen. Echt de keel uit te hangen.’

 

{image:516}

 

Verrips legde eind jaren tachtig de grond voor wat later genoemd zou worden de ‘Verripsiaanse antropologie’. ‘Elke orde brengt zijn eigen wanorde met zich mee,’ beredeneert hij. Hij schreef over alles wat ‘vies en voos’ was. ‘De wanorde, de chaos, het deviante, het rare, het abjecte…’

 

Daaronder viel ook kannibalisme in Europa. De neiging tot het verorberen van elkaars vlees is een ‘ingebakken neiging’ die in ons allemaal zit, verkondigde Verrips in 1991. Het bewijs daarvoor vond hij om zich heen. Want, zo is de gedachtegang, het is niet voor niets dat we in bepaalde snoepwinkels drop kunnen kopen in de vorm van een lichaamsdeel, of dat rockband Iron Maiden een nummer uitbrengt met de titel Bring your daughter to the slaughter, of dat een bekende liefkozingskreet luidt: ‘Ik kan je wel opvreten‘.

 

Verrips, nu twijfelachtig: ‘Wanorde en chaos. Dat is denk ik wat mensen bedoelen als ze spreken van een Verripsiaanse antropologie.’ Hij spreekt over zijn eigen theoretische stroming alsof hij het bestaan ervan wil ontkennen.

 

Vind u dat de Verripsiaanse antropologie niet bestaat?

‘Nee. En dat klinkt misschien bescheiden, of misschien zelfs hypocriet, maar ik zal het uitleggen. Onlangs heb ik een stuk geschreven dat tijdens een lezing werd besproken. Toen gebeurde weer waar ik altijd mee gekampt heb: ik voelde me unheimisch. Net zoals ik me altijd unheimisch voelde als een tekst van mij door collega’s werd besproken. Ik had het ook als studenten een tekst van mij hadden gevonden en daarmee aan de slag gingen. Dat is een gevoel van: ja, God, dat moet je eigenlijk helemaal niet lezen.’

 

Waarom niet? U schreef toch om gelezen te worden?

‘Ja, maar ik wilde de situaties vermijden waarin het aan de orde kwam. Ik heb me door de jaren heen afgevraagd waar dit vandaan komt. Waarschijnlijk omdat ik bang ben om kritiek te krijgen waar ik geen raad mee weet.’

 

Maar u heeft goed over de tekst nagedacht voordat u het schreef. U heeft er studie naar gedaan. Dus u schrijft iets weloverwogen op. Dan kunt u toch ook die discussie aangaan?

Twijfelend: ‘Ja, maar met een zekere huiver die waarschijnlijk terug te voeren is op een soort angst dat mijn argumentatie onderuit gehaald wordt. Daar voel ik me echt ongemakkelijk bij.’

 

Een soort onzekerheid.

‘Ja. Ik denk het, ja. Een soortgelijke onzekerheid of huiver welke ik ervaar wanneer jij nu spreekt van Verripsiaanse antropologie. Daar voel ik me niet goed bij. Maar het is een ambivalentie, want aan de andere kant ben ik eigenlijk ook iemand die geniet van het feit…’

 

Verrips lacht en kijkt weg: ‘Ik, ik…’

 

Waar geniet u van?

‘Nou, als mensen in informele contexten zeggen: hé, dat is een leuk stuk zeg, dat heeft me wel geholpen. Maar als het in een formele setting aan de orde komt, dan word ik onzeker. En wil ik er liever niets mee te maken hebben. Ik laat ook stukken liggen die ik geschreven heb, waar ik niets meer mee doe.’

 

In zijn puberteit schreef Verrips gedichten over zijn geboorteplaats, waarvan hij er één opnam in de laatste uitgave van zijn proefschrift:

 

‘Wit waterlicht tokkelt in de dode rozen

Wit waterwaaien stommelt langs de blinde muur

Deze plek is nooit door mij gekozen

Maar men ontstak er wel mijn vuur (…)

Mijn lief waarom werd ik toch geboren

In de kluisters van dat godvruchtig land

Waar zelfs de vogels veinzen in hun koren

En liefde al versintelt nog voor zij brandt’

 

Zelfs de vogels veinzen, schreef u. Wie nog meer?

‘Op zondagen was er sprake van een door de dorpelingen geconstrueerde stilte. Een bewegingloosheid die mij deed verlangen naar grote avonturen. Door mijn eigen fantasie werd ik zo langzaamaan gedreven in surrealistische werelden. Die fantasieën waren mijn enige redding om te ontsnappen aan die aardappellucht en verstilling.’

 

Beschrijft u die fantasieën eens.

‘In de kerk begon ik de meest bizarre dingen te zien. De diensten duurden meestal zo’n twee uur. Ik weet nog dat ik de kroonluchters plotseling zag veranderen in koperen buizen die zich door de kerk bewogen in de richting van de monden van de kerkgangers. Er kwamen, zonder dat ik dat wilde, kraantjes op die leidingen. Het orgel transformeerde in een heel grote koperen ketel waarin jenever zat. Iedereen werd dus plotseling door een onzichtbare kracht voorzien van hoeveelheden jenever waaraan je zou sterven. Dan verdween die hele kerkdienst in mijn fantasie. Het werd een soort jeneverstokerij van een hels formaat, waarin het volk Gods tot grote dronkenschap werd vervoerd.’

De fascinatie voor het vreemde ontstond dus al vroeg. Maar nog steeds lijkt de oud-hoogleraar het rare en het vreemde overal in op te zoeken. Als ik bij hem binnen kom, ligt er op de eettafel een vergrootglas met daarnaast een groot opengeslagen boek. Verrips vertelt gedetailleerd dat hij daarin aanwijzingen heeft gevonden voor een verband tussen het surrealisme en een dode vrouw die ergens in een stadspark in Los Angeles, in 1947. ‘Dat houdt me de laatste tijd bezig, ja.’

Vanuit zijn woning in Amsterdam-Noord kijkt hij op de Buiksloterkerk, die inmiddels gebruikt wordt door de Santo Daime-gemeenschap.

‘Die mensen gebruiken tijdens hun diensten ayahuaska. Dat is een soort drug dat in Nederland nog niet verboden is. Laatst hebben mijn vrouw en ik gezien hoe het echt mis ging met dat spul. Ze zaten hier onderaan de dijk bij de sloot en hallucineerden zich helemaal scheel.

‘Kijk, dat wat mensen doet walgen heeft ook een attractie. Het abjecte is altijd iets dat ook een zekere aantrekkingskracht heeft, al was het maar om te weten dat je je er snel weer van moet verwijderen.’

Tot zijn achttiende moest Verrips altijd mee naar de Nederlands hervormde kerk. ‘De familie van mijn moeder was dan wel buitenkerkelijk orthodox, mijn vader was afhankelijk van de boeren in het dorp. Als kleermaker had hij voldoende opdrachten nodig om rond te komen en die opdrachten kwamen van die boeren. Als je hen voor het hoofd stootte door niet naar de kerk te gaan, of naar de verkeerde kerk, dan zou je geen bestelling meer krijgen.’

Hoe werd het geloof in uw familie beleden?

‘De familie van mijn moeder ging in de richting van de godsdienstwaanzin. Dat heeft mij soms erg doen schrikken. Bijvoorbeeld door de ruzies over godsdienstkwesties op de boerderij met mijn ooms en tantes.’

Hoe zagen die ruzies er uit?

‘Dat waren woordenwisselingen die om wat of niks konden beginnen. Over het feit dat het Woord niet recht werd gesneden, bijvoorbeeld. Die ruzies liepen vaak uit op scheldpartijen. Mijn oom kon behoorlijk vilein en gewelddadig zijn. Die bedreigde mijn moeder, wat uitliep op bijna-gevechten. De hele viering viel dan…,’ Verrips buldert weer van het lachen, ‘viel dan in duigen. Mijn oom zat dan iemand achterna met gereedschap. Om het geloof!’

U zag dat gebeuren.

‘Ja, daar zaten wij tussen als kind. Moet je je voorstellen. Gelukkig hield mijn vader zich redelijk afzijdig, maar mijn moeder, ooms en tantes kregen slaande ruzie. Dat was een akelig klimaat, waaraan ik blij was te kunnen ontsnappen toen ik ouder was.’ Verrips kijkt weg, en fluistert: ‘Weg, weg, weg.’ Daarna: ‘Gelukkig wonen mijn broers er niet meer. En heb ik niets meer met het dorp te maken. Helemaal niets.’

Wanneer bent u er voor het laatst geweest?

‘Ik moest er een paar maanden geleden zijn voor het graf van mijn ouders. Als ik daar dan ben, dan valt die hele wereld als een natte deken over me heen.

U rijdt het dorp binnen…

Ja, daar heb je het al: mis.

Wat gebeurt er dan?

Verrips is even stil. Herhaalt mijn vraag en zucht. ‘Niks. De huizen staan daar, een paar zijn wat veranderd. Er zijn wat nieuwe bijgebouwd. Je ziet heel weinig mensen. En je weet: ik maak geen deel meer uit van deze wereld. Ik ben er wel geboren, maar heb er geen affiniteit meer mee. Zie dat aan. Hier gebeurt niet wat ik interessant vind, en dat gebeurde er nooit, en dat zal altijd zo blijven. En laat ze ervan genieten.’ Bijna fluisterend: ‘Ik ga hier weg.’

Het is een afkeer van het hele dorp.

‘Ja. Walging.’

{image:517}

 

Zijn fascinatie voor de chaos en de wanorde in zijn ‘antropologie van het wilde in het westen’ komt volgens Verrips voort uit ‘een diepgewortelde angst voor die wanorde. Ik heb een houding die gericht is op het steeds willen controleren van mijn omgeving. Ik wil alles overzichtelijk houden.’ Verrips komt later in het gesprek met een herinnering waarin hij controle over de situatie kan uitoefenen.

‘Ik weet nog goed dat ik als jongetje van negen of tien jaar oud een heel merkwaardige steen zag die midden in een hoop grind lag. Die steen fascineerde me zo erg, dat ik meer van dat soort stenen wilde hebben. Ik ben me toen in het grindpad dat voor het erf en voor het schoolplein lag gaan interesseren. Andere kinderen waren bezig met spelletjes, terwijl ik het grind bestudeerde en zocht naar wat ik mooie stenen vond. Met een zakdoek voor mijn gezicht gebonden, want het was enorm stoffig.

‘Op een bepaald moment vond ik een fossiel – dat was een brachiopoda – en daar raakte ik van in extase. Ik vond een schelp van steen! Toen brak de beer los, want als je er één vindt wil je er meer. Ik heb toen iets slechts gedaan. Mijn vader had in zijn zakken altijd losse centen. Ik heb toen af en toe wat geld van hem geleend…’

Gejat.

‘Ja, gejat, en daar heb ik kinderen op het schoolplein mee aan het werk gezet. Op een gegeven moment zat ik op het schoolplein te midden van een stel kinderen die in opdracht van mij zochten naar mooie stenen. Als ze er dan één hadden gevonden, kregen ze twee cent. Voor vijf cent konden ze een kauwgompje kopen met een plaatje erop, dus zij zochten zich suf.’

U had de controle.

‘Ja! Ik was de baas. Ik had een leger dwangarbeiders.’

Uit een vitrinekast naast de eettafel haalt de oud-hoogleraar trots een fossiel die een van de kinderen op dat schoolplein vond. Dan komt Verrips’ vijftienjarige zoon binnen. Met gebiedende toon zegt Verrips: ‘Wij praten even met elkaar, ja? Je moet je maar even vermaken. Doe dat maar beneden. Daarna begin je met je huiswerk.’

Bent u inmiddels ‘klaar’ met uw jeugd in Schoonrewoerd? Heeft u er mee afgerekend?

‘Ik denk niet dat je daar ooit mee kunt afrekenen. Dat zal tot aan mijn dood toe blijven. Ik denk dat het in mijn hele habitus zit.’

Wat geeft u daarvan aan uw zoon mee?

‘Dat is in ieder geval geen godsbesef. Hij wordt areligieus opgevoed. Maar bepaalde opvattingen of houdingen van mij zijn zaken die gebouwd zijn in mijn verleden. Die zitten nog ergens in mij, en spelen nog een rol. Mijn zoon wordt via mij geconfronteerd met een postcalvinistische habitus.’

Dat staat u vast niet helemaal aan.

‘Nee, omdat het voor mij een wurgende habitus was. Hij heeft daar nu mee te maken.’ Daarna: ‘Het is iets waar ik nooit van los zal komen. De veranderingsprocessen die zich in een mensenleven voltrekken zijn nooit radicaal genoeg om te leiden tot zo’n breuk.’

Bent u bang dat u iets doorgeeft aan uw zoon waar u eigenlijk een hekel aan heeft?

‘Ja, soms zie ik bepaalde gewetenszaken bij hem die ik herken. Ethische kwesties. Mag ik iemand uit de klas waar ik de pest aan heb op een bepaalde manier behandelen? Als mijn zoon zichzelf betrapt op een gedachte aan het schoppen van iemand, dan voelt hij zich daar schuldig over. Ik merk dat aan hem.’

De studies die Verrips de afgelopen decennia lijken veelal gelinkt te zijn aan zijn jeugd, aan het verstilde dorp, aan zijn afkeer van ‘de geveinsde orde in dat loodzware calvinisme’. Ook nu nog komt hij tot nieuwe inzichten. Zo gaf Verrips onlangs een lezing over het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink.

‘De calvinistische figuren in dat boek lijken allemaal een heel rationele kennis van het metafysische te hebben. Ze kennen duizenden verschillende soorten genades, duizenden zondes… Ze lijken precies te weten hoe de vork in de steel zit. Maar dat is schijn. Die doorgeleide gelovigen kunnen ontzettend goed praten over het goddelijke, maar daar gaat het niet over. Je zou het anders moeten zien.

In de kerkdiensten worden bepaalde taaluitingen op zo een consistente en langdurige wijze gebruikt, dat het mensen in een gemoedstoestand brengt waarin zij het goddelijke denken te ervaren. Na zo’n dienst zeggen mensen dichter in de buurt van God gekomen te zijn. Dat komt door die lichamelijke ervaring. Via de psalmen zingen ze zichzelf letterlijk naar een belevingsvorm toe waarin het rationele eigenlijk geen rol meer speelt. Het rationele zingen is een middel om even afscheid te nemen van het verstand.

‘Die rare fantasieën van mij in de kerk werden gegenereerd door die dominee op de preekstoel, die daar anderhalf uur stond te oreren. Heel weinig kerkgangers hadden kunnen navertellen wat ze daar gehoord hadden, maar ze voelden zich wel goed.

‘Het is een grote uitdaging voor sociale wetenschappers om de emotie, het irrationele, een plaats te geven in onderzoeken. De taal laat ons daarin in de steek. We misleiden onszelf door te denken in mensen als rationele wezens.’

Het gaat volgens u ook om biologische processen.

‘Ja! Als sociaal-culturele wetenschappers zullen we de boot nu niet moeten missen. We moeten kennisnemen van het werk van neurowetenschappers, om op die manier een dieper besef te krijgen van interne, lichamelijke processen in het intermenselijk verkeer.’

Als ik u goed begrijp, gaat het vooral om die biologische processen.

‘Nee. Goudsblom zei dat mensen door en door sociaal zijn, zelfs de maag van een Bosjesman functioneert anders dan die van een westerling. Dat is waar. Maar daarnaast blijven er tientallen vragen over waar Goudsblom het antwoord niet op heeft.’

U bedoelt dat de mens een soort biologisch fundament kent, dat sociaal gedrag…

‘…mogelijk maakt. En dat betekent dat wij dat biologische fundament moeten willen begrijpen. In bepaalde situaties voel je je misselijk, bloos je of krijg je kippenvel. Het is evident dat bepaalde moslims die die cartoons zagen een lichamelijke reactie ervoeren die je niet moet onderschatten. Het is een lichamelijke reactie op een sociale situatie. Je kunt niet begrijpen wat tussen mensen gebeurt, als je niet weet wat er in ze gebeurt. Daar ligt een uitdaging voor sociaal-culturele wetenschappers.’

CV Jojada Verrips

1942 Geboren in Schoonrewoerd.

1961-1969 Studeerde prehistorie en antropologie in Amsterdam, studeerde cum laude af op een studie over Levi-Strauss.

1970-1977 Promoveerde cum laude met zijn studie over het christelijk-calvinistische dorp Ottoland: En boven de polder de hemel.

1972 Werkte aan de Universiteit Utrecht als wetenschappelijk medewerker. Werd ontslagen na een conflict over democratisering binnen de universiteit.

1973 Ging als docent door aan de UvA.

1992 Werd ‘wisselhoogleraar’ aan de ASSR.

1997 Werd na ‘veel gedoe van personeelszaken’ aangenomen als hoogleraar in de Culturele antropologie van Europa’.

2007 Pensioneerde en werd geprezen met het speciaal uitgebrachte boek Wildness and sensation, onder redactie van Rob van Ginkel en Alex Strating.